Groot gedoe

Toen mijn opa begraven werd duurde het nog een hele tijd voordat zijn graf een steen kreeg. Nou en, dacht ik eerst – maar het maakte me toch verdrietig. De aangrenzende, enorme marmeren tombes legden op elk moment van de dag schaduw over de plek waar mijn opa lag, met hun plastic rozen die nooit verwelken en elektrische kaarsen die nooit uitwaaien. Ik heb die grafprullaria nooit echt begrepen. Volgens mij is er niks mis met een echte vlam die uit kan gaan, of een verwelkende bloem – ze passen beter bij het thema, als je begrijpt wat ik bedoel. Mensen die plastic rozen en elektrische kaarsen kopen om op het graf van hun dierbaren te leggen; ze zijn zelf van plastic, als je het mij vraagt. Ik bedoel, als je echt van de overledene hebt gehouden, dan leg je niet zo’n plastic gedrocht op een steen. Als je echt van diegene hield kom je geregeld terug om te kijken of de kaars uit is gewaaid, of om de bloemen te verversen. Je zou kunnen zeggen dat met het kopen van een lampje op batterijen ze ook tijd kopen. Om langer weg te kunnen blijven van het graf zonder dat de andere nepperds van kerkhofbezoekers gaan roddelen, ofzo. Zodat ze niet gaan denken dat je de dooie bent vergeten, want dat zou dan slecht zijn.

Hoe dan ook, tussen die grote, glimmende, indrukwekkende, neppe graven lag mijn opa dus. De steenhouwer had zich vergist in mijn opa’s naam en moest de zerk opnieuw maken. Het leverde een hoop gedoe op. Mijn vader was woest, mijn moeder in tranen. Mijn opa is naast mijn oma gelegd en haar naam stond er ook op. Dus die hele steen moest opnieuw, denk ik. Het lijkt me een gejaagd beroep, houwer van grafzerken. Emotionele familieleden die zo snel mogelijk hun steen willen – en dan ook nog zonder spelfouten. Een hoop gedoe. Het zou niks voor mij zijn, zo’n baan. Maar het zorgde er in ieder geval voor dat tussen al dat marmer een lange poos een hoop modder lag. Met daarin een plastic kaartje waar de namen op stonden van mijn grootouders. Zo’n kaartje zoals ze bij het tuincentrum om de hoek hebben, weet je wel – waar ze ook de begonia’s en de hortensia’s mee labelen. Misschien heeft de kerkhofbeheerder ze daar ook gekocht, het zou kunnen. Ik vond het wel grappig.

In ieder geval, dat mijn opa en oma daar zo onder die hoop natte aarde lagen – het deed me wat. Niet dat ik jaloers was op de graven eromheen – die interesseerden me geen zier. Maar toch, het voelde oneerlijk. Mijn opa en oma, je had ze moeten zien. Keien van mensen. Liever, eerlijker en oprechter bestaan ze niet. Onmogelijk. En zeker niet die rechters, managers en andere stropdasdragende nepperds die om hen heen liggen. Niet dat ik ze heb gekend ofzo, die dooie lui onder dat marmer – maar met zulke dure stenen en zulke nabestaanden kan je niet anders verwachten, neem ik aan. Ik bijt nog liever mijn eigen arm er af, dan dat mijn opa en oma zo’n marmeren plaat omhoog moeten houden, maar ik wil niet dat ze denken dat wij niks om hen geven. Dat we er zo genoegen mee nemen. Met een hoop drek met een plastic kaartje er in geprikt ofzo.

Een hele poos geleden dacht ik er wel aan, trouwens. Om in deze sector te gaan werken, bedoel ik, later. Ik ben niet bang van de dood en ik word er ook niet echt verdrietig van, zoals mijn broertje Sam. Toen ik zijn leeftijd had was ik al heel geïnteresseerd in dode dingen, of dingen die doodgaan. Ik raak er niet door getraumatiseerd ofzo, zoals je soms op televisie hoort, op die talkshows. En het is ook niet dat ik met een vergrootglas nietsvermoedende mieren verbrand, daar is geen lol aan. Dat zou te cliché zijn. Ik haat clichés. Niet omdat ze zo vaak gebruikt worden (vaak door nepperds), maar omdat ze waar zijn – ik bedoel, hoe spannend kan iets zijn dat waar is? Mijn moeder zegt dat ik altijd de waarheid moet spreken, maar het is ook niet dat ik vaak lieg ofzo. Iets verzinnen is niet hetzelfde als liegen vind ik, het is een rekbaar begrip; dat is hoe ik er naar kijk tenminste.

Laatst was er een meisje die de presentator vertelde dat ze elke keer als ze ging slapen nachtmerries had. Ze was heel schattig met haar roze jurkje en blonde vlechtjes met roze strikjes erin. Ik herken schatjes als ik ze zie. Maar omdat ze haar overreden kat op de oprit had gevonden had ze een soort complex opgelopen. Een hoop gedoe. Ze had pas in de gaten dat het beestje dood was toen ze het poezenlijkje had opgetild. Toen ze ermee ging kroelen had ze haar gezicht helemaal ingesmeerd met kattenbloed en er lagen allemaal kattendarmen op haar jurkje enzo. Ik moest er hard om lachen, eerlijk gezegd, al was ze echt schattig. Maar ze was evengoed een nepperd, want ze huilde te mooi op tv. Ik krab nog liever mijn ogen uit dan te geloven dat het oprechte tranen waren, zo langzaam biggelden ze kristalhelder over haar wangen. Close up, natuurlijk. Het kan niet anders dan dat de regisseur op dat moment een orgasme kreeg in die regelkamertjes van ze achter de camera’s. Ik zou niet graag bij de televisie werken, het zijn een hoop nepperds, daar kan je geld op inzetten.

Mijn broertje Sam heb ik al een tijdje niet zien. Mag voorlopig niet meer – van mijn ouders niet, maar volgens mij vooral van meneer Hristov niet. Mijn broertje Sam is een dijk van een kerel; eerlijk, oprecht. Precies zoals ik ze graag heb. En een stuk slimmer dan ik, in ieder geval. Meneer Hristov mag ik niet zo graag, al heeft ‘ie het beste met me voor. Tenminste, dat zegt mijn moeder. Ik geloof mijn moeder graag -  ze is voor het grootste gedeelte best lief enzo, maar meneer Hristov is misschien wel de grootste nepperd die er is. Met zijn lange, witte, smetloze doktersjas. Helemaal tot bovenaan dichtgeknoopt. Ik wed dat ‘ie daaronder niks aan heeft. Je hoort wel vaker dat jongetjes als ik worden misbruikt tijdens die sessies van ze – en als je er dan uit over de school klapt geloven ze je niet. Ze geloven je nooit meer als je eenmaal in hun systeem zit. Je hebt de controle niet meer over wat ze over je denken, ik zweer het je.

Ik begreep die witte doktersjas van Hristov vanaf het begin al niet. Het is niet dat ‘ie mensen opereert ofzo. Hij praat alleen, dat is zijn taakomschrijving, het is niet dat je vies wordt van praten, toch? Ik vertelde aan de jongens van de afdeling dat ‘ie van jongetjes houdt. Dat ‘ie ‘s avonds aan ons denkt als ‘ie onder de douche staat ofzo. Dat denk ik echt, trouwens. Dat hij denkt aan ons terwijl ‘ie onze vieze woorden van zijn vuile, rimpelige lichaam afschrobt. Hij heeft mij nog met geen vinger aangeraakt, maar ik steek mezelf nog liever in mijn maag dan dat ik hem de kans geef.

Het is niet dat ik in een gekkenhuis zit ofzo – al zou je misschien anders denken als je de andere jongens ziet. Na mijn eerste ontmoeting met meneer Hristov was ik wel bang dat ik in een gesticht zou belanden, dat geef ik toe. Ik had het behoorlijk bij hem verpest tijdens onze eerste sessie. Toen ik voor hem moest gaan zitten kon ik al ruiken dat hij een echte, vieze, vette nepperd was. In Jip en Janneketaal ging hij me uitleggen dat we gingen kijken hoe mijn hoofd precies in elkaar zat. Dat ik niet bang hoefde te zijn enzo. Bang, ik? Mijn reet. Dat dacht ik tenminste. Hij wilde even ’onder de motorkap’ kijken, want misschien zat er in mijn hoofd wel een ’bougie’ verkeerd ofzo. Man, wat een nepperd – hij dacht vast dat omdat ik een jongetje was ik helemaal wild zou zijn van auto’s en dus die beeldspraak wel zou kunnen waarderen. Ik  snij nog liever m’n tong uit mijn mond dan dat ik over auto’s praat. Groot gedoe. En als klap op de vuurpijl kwam hij met die kaarten met inktvlekken er op waarvan ik moest zeggen wat ik er in zag. Ik haat clichés, dus ik zei dat ik er allemaal griezelige, zieke dingen in zag.

‘Wat zie je in deze?’ -’Een etterende kankerbuil.’

‘Juist. Deze? -’Dode baby.’

‘Ja… En hier?’ -’Twee dode baby’s.’

‘En in deze?’ -’Een duivel die mijn moeder verkracht.’

‘Even serieus, jongen. Neem je tijd. Wat zie je hier?’ -’Een duivel die jouw moeder verkracht.’

Je had meneer Hristov moeten zien. Aan alles kon ik merken dat ‘ie zich in probeerde te houden bij me – en ik moet zeggen, het lukte hem aardig. Behalve dat zijn neusvleugels enorm begonnen te trillen verrekte hij geen spier. Hij werd zelfs niet een beetje rood – in ieder geval niet zoals mijn vader, die wordt bij het minste of geringste knalrood. Ik ben dan altijd bang dat een ader in zijn hersenen klapt en dat ‘ie voor mijn gezicht ineenstort en doodgaat enzo. Dat is nog niet gebeurd.

‘Goed,’ zei meneer Hristov. Zijn stem was wat kortaf en hij sloeg de kaartjes iets te hard op tafel om ze weer recht te krijgen. ‘Ik weet genoeg.’

Dat was alles wat hij zei – dat beangstigde me een beetje. Ik had opeens een beetje spijt dat ik die rare antwoorden gaf, ik bedoel, ik had het ook normaal kunnen doen, ik zou er niet ziek van zijn geworden ofzo. Maar soms nemen dingen de overhand in me, het is niet dat ik er echt kwaad mee bedoel. Meneer Hristov deed zonder iets te zeggen de deur naar de gang voor me open, waar mijn ouders bezorgd zaten te wachten. Ik zag dat ze bezorgd waren want toen de deur openging keken ze allebei met van die bezorgde ogen naar me. En bovendien stond mijn vader opeens op – alsof ‘tie van de deur schrok, en daarmee vielen alle informatiemappen en papieren die hij van de receptioniste had gekregen van zijn schoot. Het zag er nogal klungelig uit als je het mij vraagt.

Het meeste wat ik mis aan mijn opa waren de lange wandelingen door de stad. Veel mensen vonden hem een rare man en in zekere zin was hij dat ook wel. Hij had eigenlijk geen vrienden, nu ik er over nadenk. Alleen oma – toen ze nog leefde. En mijn ouders. En ik en mijn broertje Sam natuurlijk. Een gesprek met hem was moeilijk enzo – meestal was hij het die praatte. Hij gaf geen antwoord op vragen, dat was gewoon niet iets waar hij aan meedeed ofzo. Mijn opa praatte veel, maar het was nooit cliché. En terwijl ik met hem door de stad liep zij hij van alles en het meeste begreep ik niet. Hij had het over de bestanddelen van mosterdgas en over oorlogsstrategieën en onderduikadressen. Machtig interessant – al kon ik er verder weinig mee, als je begrijpt wat ik bedoel.

Hij had het ook vaak over dode mensen. Over rottende lijken enzo, weetje wel. Machtig interessant. Hij vertelde dat als je lijken weer opgraaft na verloop van tijd, dat hun nagels en haren gewoon zijn blijven groeien. Zo had hij een vriend, Barry, die was neergeschoten – en die moest ‘ie dan een paar maanden later opgraven. Ik vroeg mijn opa nog waarom, maar natuurlijk antwoordde hij niet. Hij zij dat ‘ie Barry niet meer herkende, niet omdat ‘ie al in verre staat van ontbinding was enzo, maar vooral ook omdat ‘ie opeens veel langer haar had. Een beetje vies blond, vond mijn opa het. Ja wat wil je, dacht ik. Het is niet alsof ‘ie er nog iets aan had kunnen doen. Ik bedoel, Barry wist waarschijnlijk niet eens dat mijn opa even op bezoek kwam ofzo. Ik heb er wel nog weken over nagedacht. Al die lichamen in de grond waarvan het haar nog groeit. Als je er over nadenkt is het wel raar, dat je hoe dan ook lang haar en lange nagels krijgt als je eenmaal onder de grond ligt.

Toen ze me in het midden van de nacht van het kerkhof haalden huilde ik, dat geef ik eerlijk toe. Ik ben een grote jongen, maar ik denk dat ik nooit zo hard heb gehuild – en het waren zeker niet de neppe, paarlemoeren traantjes van dat schatje op televisie. Echte, slijmerige tranen, die uit alle gaten uit je gezicht komen enzo. Kreten die uit het diepste van het diepste komen. Opa’s gaan dood, maar toch hoop je dat er een uitzondering is. Ze hadden pas door dat ik uit bed was toen mijn moeder zag dat mijn schoenen niet meer bij de deur stonden.

Het was misschien ook geen goed idee om naar het kerkhof te gaan in het midden van de nacht. Niet dat ik daar bang ben, zelfs niet als het regent, of onweert – maar het mag ook gewoon niet. De kerkhofbeheerder doet het hek op slot als de zon ondergaat en dan mag niemand er meer bij. Ik heb dat nooit echt begrepen ofzo, want het zijn mijn grootouders die daar liggen en ik bepaal zelf wel wanneer ik ze bezoek, toch? De kerhofbeheerder is een vette nepperd, als je het mij vraagt. Net als die pastoor die mijn opa ‘ter aarde bestelde’, zoals ‘ie dat noemde. Ik snap die hele poppenkast niet; zo’n pastoor wijdt zogenaamd zijn hele leven aan het geloof en die tradities enzo – en hij heeft vast ook al duizenden mensen ‘ter aarde besteld’, maar nog altijd moet ‘ie in zijn boekje kijken als ‘ie het doet. Groot gedoe. Hij leest het gewoon op, waar iedereen bij is. Ik bedoel, dat hadden we zelf ook wel gekund. Als hij zijn vak echt serieus neemt, als je echt je hele leven er aan wijdt, dan weet je na tien keer toch wel uit je hoofd wat er in dat boekje staat? Man, wat was die pastoor een smerige nepperd.

In ieder geval, toen ze me van het kerkhof plukten was ik niet de beste versie van mezelf, dat geef ik eerlijk toe. Ik zat er behoorlijk over in dat mijn opa en oma onder een hoop modder lagen, terwijl al die nepperds eromheen warm onder hun marmer lagen te rotten. Als een storm rende ik langs alle tombes en griste overal de elektrische kaarsen en rozen weg. Daarna flikkerde ik alles wat ik had gevonden over mijn grootouders heen en terwijl ik dat deed dacht ik aan wat mijn opa vertelde over dat groeien van dat haar en die nagels, weet je wel – en opeens werd ik misselijk. Tranen welden op en ik dacht aan mijn oma die daar naast mijn opa lag. Haar haren zouden enorm moeten zijn gegroeid, zo lang is het geleden dat ze daar is neergelegd – en haar nagels zouden al net zo lang en geel en opgekruld zijn zoals je soms ziet bij die mensen met een nagelziekte op de reportages op televisie. En opeens dacht ik aan alle haren en nagels van die rottende lijken om me heen – en ik vond het zo oneerlijk. Hoe je ook was als levende, hoe echt, of hoe plastic je ook was – als je eenmaal onder de grond ligt groeit bij iedereen het haar en nagels, die regel is onverbiddelijk.

Ik weet niet meer of ik gewoon op die modderhoop, tussen de plastic bloemen en kaarsen was gaan liggen toen ze me er van af plukten. Wel weet ik dat ze vast dachten dat ik gek was geworden, ofzo. Het moet er vast als een ravage uit hebben gezien, denk ik. Een jongetje met zijn kleren vol moddervlekken, huilend op een graf, in het midden van de nacht. Ze zagen er geschrokken uit, dat is een ding dat zeker is. Ze vroegen me wat ik hier in godsnaam deed, wat er verdomme mis met me was. Ik had geen zin meer om een normaal antwoord te geven, als je begrijpt wat ik bedoel – ik kreeg nog liever een hersenbloeding – dus ik zei maar dat ik wilde kijken of mijn opa’s haren en nagels waren gegroeid in de tijd dat ‘ie hier lag te rotten. Ik bedoel, wat maakt het uiteindelijk uit.

Nu heb ik er wel spijt van, dat ik niet gewoon heb geantwoord. Het zou me een hoop ellende hebben bespaard – en bovendien mis ik mijn broertje Sam, je moest eens weten. Als je het helder bekijkt maakt het niks uit. Dat mijn opa en oma daar zo liggen, bedoel ik. Met al de nepperds om hen heen. Ik bedoel, het is niet dat ze er over zouden gaan klagen ofzo.

Bankje

Frank is zevenentachtig en zit graag op bankjes. Hij zit niet alleen; zijn vrienden komen ook vaak langs. Mannen onder elkaar, praten over dingen die er niet echt toe doen. Rokerslachjes en gekraak van oude mannen voor de willekeurige passant.

Piet en Jan zijn de enige vrienden die Frank nog over heeft, de rest is dood. Zo gaat dat op die leeftijd, je raakt er aan gewend. Niet dat het er leuker op wordt, maar je doet er nou eenmaal weinig aan. Klagen heeft weinig zin. De hoop dat er daarboven iemand naar ze luistert hebben ze alle drie stiekem al lang opgegeven.

Maandagmiddag spreken ze tegenwoordig af op een ander bankje. In plaats van het plein op de Kerkstraat zitten ze dan aan de Stationsweg. Dat bankje is net iets kleiner en bovendien van steen in plaats van hout. Minder comfortabel, maar ze hebben een goede reden.

Naast het station wordt een gebouw gesloopt, de oude werkgever van de drie mannen. Het betonnen, kleinere bankje geeft een perfect uitzicht op het spoedig te verdwijnen hoofdkantoor van Kremer & Zn., ooit een begrip in de kleine gemeente. Al was het maar omdat elke bejaarde man in het stadje er in een vorig leven werkzaam was.

Twee van de drie mannen werkten langer dan twintig jaar voor het bedrijf. Begonnen als jochies, doorgewerkt totdat machines het werk van ze overnam. Die deden het sneller en nog goedkoper. Desondanks hebben ze er een beste tijd gehad. Ze mochten niet klagen.

De oude Kremer is inmiddels al lang overleden. Zijn twee zoons besloten de bedrijfsnaam zo te houden ook al kregen ze zelf alleen maar dochters, die sowieso niet voor het familiebedrijf werken. Een naamswijziging zou het voor niemand veel duidelijker maken.

Het slopen zelf duurt nooit lang, weten ze. De voorbereidingen zijn echter al weken bezig. Waarom dat zo lang moet duren snapt Piet niet, Jan wel. Zorgvuldigheid. Je kan niet zomaar alles tegen de grond aan werken. Asbest, en dat soort dingen.

Piep piep. ‘Dat is die van jou, Piet’, meldt Frank. Piet grinnikt en bekijkt zijn telefoon, na wat gezoek. Hoe laat hij thuis is, vraagt zijn vrouw in een berichtje. Hanna, zijn vrouw, heeft altijd een talent gehad voor die dingen. ‘Ze zit ook de hele dag achter dat ding’, licht Piet toe. Hij snapt er zelf weinig van en negeert het berichtje verder. Waarom ze het blijft proberen met die telefoon is hem een raadsel. Een ondeugende glimlach verschijnt op zijn gezicht: ze wacht maar tot ze hebben afgerekend met Kremer.

De dochter van Frank had gezegd dat het toch wel ‘heel wat moest zijn’ voor hem en zijn vrienden. Ze hebben er toch zo veel tijd doorgebracht. Frank had het weggewuifd, wat voor zijn dochter betekende dat hij zich groot hield. Een vreemd soort van misplaatst medelijden. Tijd hebben ze ook doorgebracht in hun eerste woning, op de basisschool en in de buurtsuper, die overigens misschien van eigenaar is verwisseld maar nog altijd op dezelfde plek zit.

Net als zijn twee vrienden is hij vooral benieuwd van welke kant de grote loden bal de versierde gevel zal raken. Hoe lang het hele spektakel precies zal duren. Of de stenen uit elkaar zullen breken of dat ze gewoon los op de grond zullen vallen. Of de fik er ook nog in gaat. En wat er voor in de plaats zal komen.

De vraag van zijn dochter deed hem destijds niet zo veel. Ene oor in, andere oor uit. Maar nu de de grote sloopbal in positie is begint het hem wat te irriteren. Alsof zijn leeftijd hem per definitie sentimenteel danwel zielig maakt. Alsof iedere dag, wanneer er weer iets weggaat dat ook de uiterste houdbaarheidsdatum nadert, de bejaarde bevolking van Nederland zachtjes jammert. Alsof elk vermaak vanaf een zekere leeftijd een vervelende nasmaak hoort te hebben.

Piet merkt op dat het zo lastig parkeren is in de binnenstad tegenwoordig. Plof. De eerste stoot aan het gebouw is gegeven. Als een deuk in een pakje boter. Dat gaat nog wel de hele ochtend duren, gokt Jan. Een tweede knal raakt de gevel van de linkerkant. Frank hoopt op een nieuw parkeerterrein.

Minne en Tom van de groenteboer

Minne haar linkerbeen was halverwege haar bovenbeen afgezet.  Na een dronken avond was ze naar huis gefietst en gevallen. Bovenop een roestige spijker. De volgende dag kwam ze er achter dat het toch best een vieze wond was. Te laat ging ze naar de dokter. Ze had een infectie opgelopen: bloedvergiftiging en met spoed naar het ziekenhuis. Om haar leven te redden.  Maar ten koste van een groot deel van haar been.

Vrouwen als Minne waren de vrouwen waar Tom mee zoende. Niet omdat hij op misvormde en gehandicapte vrouwen viel. Vrouwen als Minne hadden weinig andere opties meer dan Tom. Het ongeluk had ook in haar hoofd zijn sporen achtergelaten. En in plaats van haar opleiding af te maken, zat ze nu doordeweeks op de bank voor zich uit te staren of in de kroeg tegenover haar huis te drinken. In het weekend was dat hetzelfde.

Omdat ze weigerde over straat te gaan met één been, tilde ze zichzelf dan in haar bromauto en reed ze om het plein heen, zodat ze op de hoek voor Café  De Molensteen kon parkeren. De wijkagent kende haar en keek altijd alleen maar vermanend als ze weer eens de halve stoep blokkeerde voor een halve middag en een hele avond.
Zeker vijf dagen in de week reed dat rondje om het plein. Alleen op vrijdag was Tom er. Dan had groenteboer Schouten hem uitbetaald voor weer een week groente rondbrengen en dronk hij nooit meer dan zes biertjes in De Molensteen. De rest van het geld moest hij bij zijn moeder inleveren voor boodschappen.

Tom kende Minne ook van zijn groenteroute. Maar bij haar thuis mocht hij haar nooit zoenen. Alleen in het café, waar de andere mensen het konden zien mocht hij soms de scharrel spelen. Minne probeerde de rest van de wereld te bewijzen dat ze het nog kon. Zo’n jonge vent verleiden. Maar niemand keek nog op of om als ze het been dat ze nog over had om Tom heen sloeg en haar lippen op die van hem drukte.

Tom probeerde een keer zijn tong naar binnen te duwen omdat hij dat op de televisie had gezien. Minne had hem zo’n harde por gegeven dat hij een week lang pijn had bij het ademen. En dan had hij nog geluk gehad. Jonas, de zoon van de eigenaar van De Molensteen, had eens per ongeluk tijdens het zoenen zijn hand op het stompje van haar been gelegd. Minne beet hem zo hard in zijn bovenlip dat hij nu een beetje sliste.

Ja, Tom was niet de enige die met Minne wilde zoenen. Op vrijdag betaalden ook de melkboer en de slager hun loopjongens uit. Het was elke week weer een wedstrijd wie voor Minne haar eerste glas sherry kon kopen. Want wie eerst was kreeg de kruk naast haar.

Zoenen duurde nooit lang. Als je geld op was, stonden er zeker twee andere jongens te dringen om de kruk naast haar over te nemen. Wanneer je het snelst in de kroeg was, wist je in ieder geval zeker dat je die dag haar lippen met nog niemand anders had gedeeld. Soms kreeg Tom fooi en dat geld bewaarde hij dan om voor Minne een extra glas te kopen, dan kon hij een kwartier langer blijven zitten.

Tom zat niet meer op school. Zijn moeder schoor iedere maand zijn hoofd met een tondeuse die nog van zijn opa was geweest. Het voelde alsof de plukken haar uit zijn hoofd werden getrokken, maar hij zei er nooit wat van. De kleren die hij droeg waren vaak al op twee plekken gerepareerd en altijd te wijd. Tom had de verbranding van een flinke kolencentrale en er zat geen grammetje vet teveel aan zijn lijf.

Op woensdag moest hij altijd bij Minne langs. Meestal met een bloemkool, een paar preien, gesneden boerenkool en vijf kilo aardappelen. Soms ook zuurkool. Als ze deur open deed mompelde hij ‘hallo’ en liep meteen door naar de keuken. Daar zette hij de groente op de tafel bij het raam dat uitkeek over haar overwoekerde tuin. Ze kon er zelf met maar één been niet veel meer aan doen en ze wilde er niemand voor te betalen. Minne was thuis het liefst alleen. Tom vond het best, want waar moest híj het over hebben.

Een keer had ze gevraagd of hij naast haar op de bank kwam zitten. Minne was dichtbij hem gekropen en legde haar hoofd op zijn schouder. Ze fluisterde in zijn oor of hij het ook zo koud vond en ze legde haar hand op zijn kruis. Tom voelde hoe zijn piemel snel hard werd en hoe het zaad binnen tien seconden zijn broek in gutste. Hij kreunde.
Dat was allemaal erg vervelend, want hij moest nog groente afleveren op vijf adressen en Minne begon te huilen. Met grote uithalen. Ze sloeg Tom op zijn schouder. En nog een keer, en nog een keer, en nog een keer. Ze huilde zo hard en heftig dat ze voorover van de bank viel. Tom stond op en voelde dat het sperma aan zijn piemel en onderbroek plakte.  Hij tilde Minne op en zette haar weer op de bank.

Langzaam liep hij naar buiten. De deur sloeg dicht en hij hoorde nog een lange uithaal vanuit de woonkamer komen. Tom moest eerst naar meneer Van Vliet om aardappelen te brengen. Meneer Van Vliet wilde altijd om 15:30 zijn aardappelen schillen en dat was het al bijna. Hoe meneer Van Vliet altijd precies op woensdag zonder aardappelen zat, wist Tom niet. Maar dit was de eerste keer dat het hem niet zo goed uitkwam.

Slipsteek – nummer 1

Patrick wordt geslagen door Merel, zijn vrouw. Niet omdat hij het lekker vindt, hij ondergaat het gewoon. Gelaten. Waarom zijn wederhelft de neiging heeft om hem te mishandelen weet hij niet en eerlijk gezegd maakt het hem ook niet zoveel uit. Patrick is namelijk een 6-min en Merel zonder twijfel een 9-plus. Hoe hij haar ooit een huwelijk in heeft geluisd weet hij niet, maar misschien is het huishoudelijke geweld een manier om hem boete te laten doen. In dat geval een eerlijke oplossing, vindt Patrick.

Merel, op haar plaats, weet dat ze moet mikken op plekken die je niet kunt zien. Ze richt haar vizier op lichaamsdelen die makkelijk te bedekken zijn . Op Patricks rug en borstkas, op zijn bovenarmen en op het achterhoofd. Patrick laat een overdadige bos haar groeien, dus daar zie je verder niks van. Gelukkig maar.

Vorige maand schoot Merel toch uit met de stofzuigerbuis. Half per ongeluk. Ze raakte Patrick vol op de wang. Schrikken deed ze er niet echt van, maar balen wel. De klap veroorzaakte een zwelling en een onvermijdelijke blauwe plek. Die trok lelijk door naar zijn rechteroog, met een bijna kunstzinnige zweem van geel en paars.  Zijn klas van zesjarige scholiertjes hield er niet over op, niet tijdens gym, niet tijdens knutselen en niet tijdens het leren veters strikken.

Toen was Merel even bang voor die aasgieren van moeders. Die zouden dan misschien – in hun eeuwige jacht op roddels – zogenaamd bezorgd vragen naar de toedracht wanneer ze hun kroost tussen-de-middag ophaalden. Voor je het wist zouden ze Patrick aan –God verhoede – zelfvertrouwen helpen waardoor er aan haar agressieve pleziertjes een einde zou kunnen komen.

Toch vertrouwde ze op de liefde die Patrick voor haar koesterde. Hij zou niks verklappen, wist ze. Bovendien kende ze het onvermogen van haar man om ten overstaan van vrouwen kundig uit zijn woorden te komen, mocht hij dan toch uit de school klappen.

En precies zoals ze het zich al voorstelde voltrok zich het schouwspel waarbij Patrick stamelend en blozend vertelde dat hij tegen een deur was opgelopen. Een verhaal dat weinig argwaan wekte, want Patrick lijkt motorisch niet helemaal in orde.

De losse handjes van Merel laten Patrick niet helemaal onbewogen. Een advocaat zou het causale verband niet kunnen aantonen, maar indirect leidden Merel’s klappen tot het stelselmatig kapotmaken van de vijfjarige leerling Benny uit Patricks klas.

Patrick noemt Benny een ‘vies snotjong’, ‘dom pokkejoch’ of ‘stom pisventje’. Wanneer niemand het kan horen. Als Benny per ongeluk een foutje maakt lacht de meester hem vierkant uit. Patrick is gezegend met een hele aanstekelijke lach en dan krijg je al gauw de hele klas mee.

Benny, op zijn beurt, is niet het soort jongetje dat gauw zijn ongenoegen uit. Hij zuigt alles op als een spons.